De Peking Consensus
Politiek en economie zijn bijna niet meer
helder te onderscheiden in de betrekkingen tussen de Verenigde Staten en
China. De nasleep
van de klimaatconferentie van de VN,
een aankondiging van internetconcern Google om China te verlaten wegens
de structurele censuur, een bescheiden Amerikaanse wapenleverantie aan Taiwan, een ontmoeting tussen president Obama
en de dalai lama en dreiging met protectionistische
maatregelen over en weer als sanctie voor
het doorkruisen van de richtlijnen
van de Wereld Handelsorganisatie
(WTO): alles heeft momenteel met alles te maken.
Ook de toon waarmee
die vermenging van economie
en politiek wordt besproken, wordt allengs heftiger. Gisteren kondigde Obama aan dat de Amerikaanse regering de druk gaat opvoeren om
China te bewegen de yuan niet langer kunstmatig
laag te houden
ten opzichte van de dollar. Het verlangen naar een duurdere Chinese munt is oud en groeit naarmate de Chinese deviezenreserve – thans 2.400 miljard dollar – blijft toenemen.
Tot voor
kort reageerde China minzaam, zij het afwijzend, op dit soort pressie. Die tijd is voorbij. China dreigt openlijk met harde tegenmaatregelen als de Amerikaanse regering op haar beurt de wapentransactie met
Taiwan ter waarde van 6,4 miljard niet blokkeert.
Niemand weet welke woordenwisselingen er volgen. Maar vaststaat wel dat
deze confrontaties niet alleen een
belangenstrijd, maar ook een psychologische
omslag weerspiegelen.
Door de kredietcrisis voelen de VS en de rest van het Westen
zich onzekerder dan ooit sinds
de Koude Oorlog. In
China, dat amper is getroffen door deze crisis, neemt het zelfvertrouwen toe. Volgens conservatieve schattingen duurt het niet meer dan
anderhalf decennium voordat
China de VS als economische
supermacht is gepasseerd. In 2003 werd nog
voorspeld dat dit zich rond
2040 zou voordoen.
Vooral deze tempoversnelling
heeft politieke implicaties. Sinds begin jaren tachtig was de zogeheten
‘Washington Consensus’ (deregulering, liberalisering, privatisering) in
de wereld dominant. Door de kredietcrisis wordt een ‘Peking Consensus’ populair.
Trefwoorden zijn: staatskapitalisme, centrale marktverhoudingen en autoritair bestuur. Dat is een fundamenteel ander wereld- en mensbeeld, waartegen Amerika momenteel weinig heeft in te brengen.
Dat besef hoeft
overigens niet te leiden tot passiviteit.
De opmars van China voltrekt
zich op talloze terreinen. Maar zonder het Westen als afzetmarkt kan ook China niet
de dubbele groeicijfers halen waarvan het nu geniet. En zonder het Westen als innovatieve
cultuurproducent kan zelfs het repressieve China zijn burgers met hun consumptieve en geestelijke wensen niet in het gareel houden.
De assertiviteit
die Obama de laatste tijd aan de dag legt, mag op korte termijn
misschien een wat machteloos gebaar zijn, ze
kan wel een
fundament zijn voor de onvermijdelijke herschikking van
de geopolitieke verhoudingen
tussen de economische nummers 1 en 2 in de wereld.