Afghanistan heeft veel jonge
mannen zonder perspectief. Dat geeft de Talibaan een groot tactisch
voordeel ten opzichte van hun tegenstanders, zegt Gunnar Heinsohn.
De meeste Nederlandse politici die over oorlog en vrede besluiten, zijn tussen de 45 en 60 jaar. In deze leeftijdsgroep zijn de Nederlandse mannen in de meerderheid ten opzichte van hun leeftijdsgenoten in Afghanistan. Tegenover
honderd Afghaanse mannen staan 130 Nederlandse – in absolute aantallen
1,4 miljoen tegenover 1,8 miljoen. Maar in de leeftijdsgroep van 0 tot 14 jaar,
waar de toekomstige soldaten uit komen,
is de verhouding vijf staat tot één: 7,5 miljoen Afghaanse jongens, tegenover 1,5 miljoen Nederlandse. De Afghaanse bevolking is ruwweg twee keer
zo groot als de Nederlandse, maar Afghanistan heeft vijf keer zoveel
potentiële soldaten.
In 2008 zitten er 4,5 miljoen mannelijke Afghanen in de traditionele vechtleeftijd van 15
tot 29 jaar. Uit die groep komen de strijders tegen wie ongeveer 35.000 NAVO-soldaten, waaronder 1800 Nederlanders, zich hebben ingegraven, wachtend op een gelegenheid om de opstandelingen te verslaan. Maar de kans daarop lijkt
niet te stijgen.
Want na die 4,5 miljoen Afghanen van nu, komen 7,5
miljoen Afghaanse jongens onder de vijftien.
Militair gezien is dit numerieke overwicht
nog groter dan het klinkt.
In Nederland en andere NAVO-landen,
waar gezinnen één of twee kinderen
hebben, bestaat er niet zo
iets als de wegwerpman. Statistisch gezien is de kans groter dat een
jongen uit het Westen de enige
zoon of het enige kind is. Maar in Afghanistan zijn vijf miljoen van de 7,5 miljoen in de jongste leeftijdsgroep de tweede, derde of vierde jongen in een gezin.
Tussen 1916 en 1940 is de Afghaanse
bevolking maar een klein beetje
gegroeid, van 6,4 miljoen naar 7,5 miljoen inwoners. Tussen 1950 en 2008 vond een bevolkingsexplosie
plaats en steeg het aantal inwoners
van 8 naar 33 miljoen. Het zou zelfs
40 miljoen zijn, als dertig oorlogsjaren
niet een hoge tol hadden
geëist aan slachtoffers en vluchtelingen. Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw heeft altijd
geschommeld rond de zeven, tegen 1,6 in het Nederland van na 1980.
Deze explosieve bevolkingsgroei plaatst
Afghanistan in de kleine groep
landen met een wat ik altijd
noem ‘extreem demografische bewapening’: tegenover 1000 mannen van 40-44 jaar staan 2500 jongetjes van 0-4 jaar. Nederland
zit in de groep landen van
„demografische capitulatie”:
tegenover diezelfde groep mannen staan
maar 650 tot 840 jongetjes
van 0-4 jaar. Demografisch gezien verkeert Nederland in dezelfde problemen als bondgenoten in de strijd tegen de Talibaan als het
Verenigd Koninkrijk en
Canada (met respectievelijk 677 en 680 jongetjes in die leeftijdsgroep).
Dat er zo
veel meer jongeren zijn in Afghanistan heeft de Talibaan een tactisch voordeel
gegeven in de strijd. Zij kunnen zware
verliezen lijden en toch snel hun
gelederen aanvullen. Ieder jaar bereiken
meer dan 500.000 Afghaanse jongeren de ‘vechtleeftijd’. Hooguit 150.000
van hen zullen een normale, legale baan kunnen vinden,
dat wil zeggen
in de opiumvrije landbouw
of bij de leger- en politie-eenheden van Kabul die worden
gefinancierd met geld uit het Westen. De resterende 350.000 komen terecht in het grote bassin van mogelijke recruten voor radicale groepen
en terreurorganisaties. De Talibaan
bieden boze jonge mannen uitzicht
op de buit van de overwinning
en een kans om zichzelf in de beroemde strijderscultuur van hun vaderland te
bewijzen. Zelfs de eer van een heldendood
levert nieuwe aanhangers op.
De NAVO is niet de oorzaak van dit demografische moeras en heeft er ook
geen antwoord op, ook Nederland heeft dat niet. Hoe vaak
kan een moeder
uit Amsterdam of Nijmegen haar
enige zoon of zelfs haar enige kind uitzenden naar dodelijk gevaar? Daar staan veel
Afghaanse moeders tegenover die een derde of een vierde
zoon kunnen verliezen.
Tussen 1500 en 1935, toen de bevolking van Europa toenam van 60 naar 500 miljoen, konden de opstanden in de koloniën gemakkelijk neergeslagen worden door derde en vierde zonen in de grote Europese gezinnen. De gezinnen in de koloniën waren niet veel groter.
De twintigjarigen die in 1915 waren
geboren, werden in 1935 voor het laatst
naar het slagveld gestuurd toen de Europese gezinnen – met uitzondering van Frankrijk – evenveel kinderen telden als de Afghaanse gezinnen vandaag de dag. Vanaf 1920 liep de Europese vruchtbaarheid (aantal kinderen per vrouw) terug naar 3. Na 1980 is deze gedaald naar
1,5.
Als Europa in de derde wereld ten strijde trok, werd
zijn demografische overwicht ondersteund door zijn superieure wapentuig. De niet-Europeanen in
de koloniën leden aan drie zwakheden:
gebrek aan overtuiging, gebrek aan reserves en gebrek aan goede wapens.
Dat is de reden waarom de Europese staten in den vreemde
alleen elkaar te vrezen hadden.
Van iedere gesneuvelde Europese of Noord-Amerikaanse soldaat werd tussen
1700 en 1945 ten minste 90 procent
gedood door andere Europese of ‘witte’ tegenstanders.
Tegenwoordig lijden westerse
naties ten minste aan twee zwakheden:
gebrek aan overtuiging en gebrek aan reserves.
Vandaag de dag zijn
in een conflict de westerse
landen de zwakkere partij. Als het
Westen de legers van de staten
met een groot geboorteoverschot op een open slagveld kan ontmoeten,
tellen de demografische nadelen minder zwaar; met goede wapens, mijnen,
antitankwapens, pantservoertuigen
en herkenningsapparatuur is het
Westen daar nog altijd superieur.
Maar in stedelijke conflicten of in een guerrilla, waar de sneuvelbereidheid vaker doorslaggevend is bij een militair
treffen – en voor sommigen een manier
om held te worden – tellen de technische voordelen van een betere wapenrusting
al veel minder.
Laten we hopen dat de recente herziening van de NAVO-strategie
in Afghanistan ook rekening
houdt met het grote geboorteoverschot in
Afghanistan. De alliantie moet
niet dezelfde fout maken als
beschreven in het
Baker-Hamilton rapport (2006) dat stelde:
„Terwijl de Verenigde
Staten in staat bleken om goede of zelfs
superieure inlichtingen te verzamelen over Al-Qaeda in Irak, begrijpt onze regering nog
weinig over de opstanden of
de rol van de militia’s in Irak.”
Demografische overwegingen komen niet voor
in dit rapport over Irak. Zal de NAVO dezelfde fouten maken in Afghanistan door meer troepen en meer geld in de strijd te werpen, in een
land waar de geboortegolf nog dynamischer is dan in Irak?