Talibaan kijken niet op een soldaat

Voor een guerrillaoorlog heeft Nederland veel te weinig wegwerpmannen

23 april 2008

Afghanistan heeft veel jonge mannen zonder perspectief. Dat geeft de Talibaan een groot tactisch voordeel ten opzichte van hun tegenstanders, zegt Gunnar Heinsohn.

De meeste Nederlandse politici die over oorlog en vrede besluiten, zijn tussen de 45 en 60 jaar. In deze leeftijdsgroep zijn de Nederlandse mannen in de meerderheid ten opzichte van hun leeftijdsgenoten in Afghanistan. Tegenover honderd Afghaanse mannen staan 130 Nederlandse – in absolute aantallen 1,4 miljoen tegenover 1,8 miljoen. Maar in de leeftijdsgroep van 0 tot 14 jaar, waar de toekomstige soldaten uit komen, is de verhouding vijf staat tot één: 7,5 miljoen Afghaanse jongens, tegenover 1,5 miljoen Nederlandse. De Afghaanse bevolking is ruwweg twee keer zo groot als de Nederlandse, maar Afghanistan heeft vijf keer zoveel potentiële soldaten.

In 2008 zitten er 4,5 miljoen mannelijke Afghanen in de traditionele vechtleeftijd van 15 tot 29 jaar. Uit die groep komen de strijders tegen wie ongeveer 35.000 NAVO-soldaten, waaronder 1800 Nederlanders, zich hebben ingegraven, wachtend op een gelegenheid om de opstandelingen te verslaan. Maar de kans daarop lijkt niet te stijgen. Want na die 4,5 miljoen Afghanen van nu, komen 7,5 miljoen Afghaanse jongens onder de vijftien.

Militair gezien is dit numerieke overwicht nog groter dan het klinkt. In Nederland en andere NAVO-landen, waar gezinnen één of twee kinderen hebben, bestaat er niet zo iets als de wegwerpman. Statistisch gezien is de kans groter dat een jongen uit het Westen de enige zoon of het enige kind is. Maar in Afghanistan zijn vijf miljoen van de 7,5 miljoen in de jongste leeftijdsgroep de tweede, derde of vierde jongen in een gezin.

Tussen 1916 en 1940 is de Afghaanse bevolking maar een klein beetje gegroeid, van 6,4 miljoen naar 7,5 miljoen inwoners. Tussen 1950 en 2008 vond een bevolkingsexplosie plaats en steeg het aantal inwoners van 8 naar 33 miljoen. Het zou zelfs 40 miljoen zijn, als dertig oorlogsjaren niet een hoge tol hadden geëist aan slachtoffers en vluchtelingen. Het gemiddelde aantal kinderen per vrouw heeft altijd geschommeld rond de zeven, tegen 1,6 in het Nederland van na 1980.

Deze explosieve bevolkingsgroei plaatst Afghanistan in de kleine groep landen met een wat ik altijd noemextreem demografische bewapening’: tegenover 1000 mannen van 40-44 jaar staan 2500 jongetjes van 0-4 jaar. Nederland zit in de groep landen van „demografische capitulatie”: tegenover diezelfde groep mannen staan maar 650 tot 840 jongetjes van 0-4 jaar. Demografisch gezien verkeert Nederland in dezelfde problemen als bondgenoten in de strijd tegen de Talibaan als het Verenigd Koninkrijk en Canada (met respectievelijk 677 en 680 jongetjes in die leeftijdsgroep).

Dat er zo veel meer jongeren zijn in Afghanistan heeft de Talibaan een tactisch voordeel gegeven in de strijd. Zij kunnen zware verliezen lijden en toch snel hun gelederen aanvullen. Ieder jaar bereiken meer dan 500.000 Afghaanse jongeren de ‘vechtleeftijd’. Hooguit 150.000 van hen zullen een normale, legale baan kunnen vinden, dat wil zeggen in de opiumvrije landbouw of bij de leger- en politie-eenheden van Kabul die worden gefinancierd met geld uit het Westen. De resterende 350.000 komen terecht in het grote bassin van mogelijke recruten voor radicale groepen en terreurorganisaties. De Talibaan bieden boze jonge mannen uitzicht op de buit van de overwinning en een kans om zichzelf in de beroemde strijderscultuur van hun vaderland te bewijzen. Zelfs de eer van een heldendood levert nieuwe aanhangers op.

De NAVO is niet de oorzaak van dit demografische moeras en heeft er ook geen antwoord op, ook Nederland heeft dat niet. Hoe vaak kan een moeder uit Amsterdam of Nijmegen haar enige zoon of zelfs haar enige kind uitzenden naar dodelijk gevaar? Daar staan veel Afghaanse moeders tegenover die een derde of een vierde zoon kunnen verliezen.

Tussen 1500 en 1935, toen de bevolking van Europa toenam van 60 naar 500 miljoen, konden de opstanden in de koloniën gemakkelijk neergeslagen worden door derde en vierde zonen in de grote Europese gezinnen. De gezinnen in de koloniën waren niet veel groter. De twintigjarigen die in 1915 waren geboren, werden in 1935 voor het laatst naar het slagveld gestuurd toen de Europese gezinnen – met uitzondering van Frankrijkevenveel kinderen telden als de Afghaanse gezinnen vandaag de dag. Vanaf 1920 liep de Europese vruchtbaarheid (aantal kinderen per vrouw) terug naar 3. Na 1980 is deze gedaald naar 1,5.

Als Europa in de derde wereld ten strijde trok, werd zijn demografische overwicht ondersteund door zijn superieure wapentuig. De niet-Europeanen in de koloniën leden aan drie zwakheden: gebrek aan overtuiging, gebrek aan reserves en gebrek aan goede wapens. Dat is de reden waarom de Europese staten in den vreemde alleen elkaar te vrezen hadden. Van iedere gesneuvelde Europese of Noord-Amerikaanse soldaat werd tussen 1700 en 1945 ten minste 90 procent gedood door andere Europese of ‘wittetegenstanders.

Tegenwoordig lijden westerse naties ten minste aan twee zwakheden: gebrek aan overtuiging en gebrek aan reserves.

Vandaag de dag zijn in een conflict de westerse landen de zwakkere partij. Als het Westen de legers van de staten met een groot geboorteoverschot op een open slagveld kan ontmoeten, tellen de demografische nadelen minder zwaar; met goede wapens, mijnen, antitankwapens, pantservoertuigen en herkenningsapparatuur is het Westen daar nog altijd superieur. Maar in stedelijke conflicten of in een guerrilla, waar de sneuvelbereidheid vaker doorslaggevend is bij een militair treffen – en voor sommigen een manier om held te wordentellen de technische voordelen van een betere wapenrusting al veel minder.

Laten we hopen dat de recente herziening van de NAVO-strategie in Afghanistan ook rekening houdt met het grote geboorteoverschot in Afghanistan. De alliantie moet niet dezelfde fout maken als beschreven in het Baker-Hamilton rapport (2006) dat stelde: „Terwijl de Verenigde Staten in staat bleken om goede of zelfs superieure inlichtingen te verzamelen over Al-Qaeda in Irak, begrijpt onze regering nog weinig over de opstanden of de rol van de militia’s in Irak.”

Demografische overwegingen komen niet voor in dit rapport over Irak. Zal de NAVO dezelfde fouten maken in Afghanistan door meer troepen en meer geld in de strijd te werpen, in een land waar de geboortegolf nog dynamischer is dan in Irak?